Permacultuur Principes

De principes van een permacultuurtuin:

Een permacultuurtuin wordt niet gevoed door de mens maar door het bodemleven.

Wat de mens wel doet is het bodemleven voeden:

  • Het bodemleven heeft behoefte aan structuurrijk voedsel, Blad, Houtsnippers en Schors, Stro, Stro nat van dierlijke urine, Karton(al dan niet gesnipperd),
  • Het bodemleven heeft een hekel aan kunstmest. Niet omdat het kunstmatig is maar om het eenvoudige feit dat de mineralen die de kunstmest maken ‘gedragen’ worden op “zouten” en die zouten doen pijn aan het lichaam van de bodemdieren en gaan derhalve op de vlucht. Omdat ze er dan niet meer zijn kun je er ook geen mooie gewassen mee telen. Mooie gewassen zijn meer dan alleen mooi in esthetisch opzicht. Onze gezondheid wil meer dan alleen mooi op ons bord. Meer meer meer, een product kan eigenlijk van binnen nooit mooi genoeg zijn.
  • Het bodemleven heeft een hekel aan snel voedsel. Ze wenst geen “spinazie” te eten, vermijdt ten alle tijden snelle meststoffen. (althans op termijn, in den beginne is er nuance mogelijk want we staan voor om gelijktijdig met het op orde maken van de bodem ook een gewas te telen). Dus we schipperen een beetje, in voorjaar wat meer dan later in het seizoen en over 2 jaar schipperen we niet meer. Die snelle meststoffen zijn koeienpoep, paardenvijgen, uitgelekt gier van de mestvaalt, kippenkeutels en vers gemaaid gras
  • Het bodemleven heeft hulp en ondersteuning nodig. Dat geven wij in de vorm van Bokashi, daarin zitten heel veel medehelpers om de bodem op orde te maken. Al die bacteriën, gisten en schimmels die tot de orde van ‘goede’ helpers worden gerekend.
  • Al die goede bacteriën, gisten en schimmels zorgen samen met de zichtbare bodemdieren voor een rul en korrelig geheel. De zichtbare bodemdieren zijn de regenwormen – pissebedden – miljoenpoten en springstaartjes. Samen wel miljoenen per teeltbed. Er zijn ook zichtbare opruimers zoals de slakken en de duizendpoten. De slakken ruimen ziek plantaardig op en de duizendpoten ruimen ziek dierlijk op (de doodgravers).
  • Later, wanneer de bodemprocessen zichtbaar worden, dan zien we de ware samenhang. Er leven dan ontelbaar veel bacteriën, gisten en schimmels. Die gaan ook dood maar hebben met z’n allen al zoveel van de structuurrijke bovenlaag gesnoept zodat ze als dood individu een smakelijk appeltje voor de dorst zijn als later de zichtbare bodemdieren ze opeten. Bacteriën en regenwormen maken bijvoorbeeld samen een bolletje van aarde en eigen uitwerpselen en dat is het alom geprezen klei/humuscomplex. Wij helpen daar een beetje bij door kleimineralen bij te strooien. Zo zijn er nog veel meer samenwerkende processen.

Conclusie:

Wij voeden het bodemleven en het bodemleven voedt de planten.